Sneakpreview

!!!Spoiler Alert!!!

De Kronieken van Oz:

De Wonderbaarlijke Tovenaar van Oz

Doortje luisterde met verbazing naar de kleine vrouw. Waarom noemde de vrouw haar een tovenares en waarom zei de vrouw dat Doortje de boze Heks van Oosten had gedood? Doortje was een onschuldig en ongevaarlijk klein meisje die door een wervelstorm vele mijlen ver van huis was geraakt; en ze had nog nooit ook maar een vlieg kwaad gedaan in haar hele leven.

Maar het was duidelijk dat de kleine vrouw een antwoord verwachtte van Doortje, dus zei ze wat stamelend;

“U bent erg aardig maar er moet sprake zijn van een misverstand. Ik heb niemand doodgemaakt.”

“Maar je huis in ieder geval wel,” antwoordde de kleine oude vrouw met een glimlach; “en dat is het zelfde. Kijk maar!” ging ze verder, terwijl ze wees naar de hoek van het huis en zei, “er steken nog twee voeten onder het hout uit.”

Doortje keek, ze gaf een gil van schrik. Ze zag inderdaad twee voeten onder de houten balk, waar het huis op steunde, uitsteken, de voeten zaten in een paar zilveren schoenen met puntige neuzen geschoven.

“O jee, o jee,” riep Doortje uit, terwijl ze haar handen samen klampte van onbehagen; “het huis moet op haar gevallen zijn. Wat kunnen we doen?” vroeg Doortje.

“Er is niets aan te doen” zei de kleine vrouw kalmpjes.

“Maar wie was ze dan?” vroeg Doortje.

“Zij was de boze Heks van het Oosten, zoals ik al zei”, antwoordde de kleine vrouw.

“De Knibbelingen waren jarenlang haar slaven en ze moesten dag en nacht voor haar werken. Nu zijn ze eindelijk vrij en voor die gunst zijn ze je erg dankbaar.”

“Wie zijn de Knibbelingen?” informeerde Doortje.

“Zij zijn het volk dat woont in het land van het Oosten, waar de boze Heks de baas was.”

“Bent u een Knibbeling?” vroeg Doortje.

“Nee, maar ik ben wel hun vriend al leef ik in het land van het Noorden. Toen de Knibbelingen zagen dat de Heks van het Oosten dood was hebben ze een snelle boodschapper naar mij gestuurd en ik kwam meteen. Ik ben de Heks van het Noorden.”

“O hemeltje!” riep Doortje uit, “ben u een echte heks?.”

“Ja inderdaad” antwoordde de kleine vrouw. “Maar ik ben een goede heks en de mensen houden van me. Ik ben niet zo machtig als de boze Heks die hier de baas was anders had ik het volk zelf wel van haar bevrijd.”

“Maar ik dacht dat alle heksen slecht waren” zei het meisje, die een beetje nerveus was geworden omdat tegenover een echte heks stond.

“O wel nee, dat is een groot misverstand. Er zijn slechts vier heksen in het hele Land van Oz, twee van hen, de heksen die in het Noorden en in het Zuiden wonen, zijn goede heksen. Ik weet dat dit waar is, want ik ben er zelf één van, en ik kan me niet vergissen. De heksen die in het Oosten en in het Westen verblijven zijn, inderdaad, slechte heksen; maar omdat jij er eentje hebt omgebracht is er nog maar één boze Heks over in het Land van Oz en die leeft in het Westen.”

 * * *

De Kronieken van Oz:

Kleine Tovenaars verhalen uit Oz:

‘De Laffe Leeuw en de Hongerige Tijger’

– een fragment –

 

De Tijger bleef een poosje stil, en terwijl hij diep nadacht waste hij zijn gezicht met zijn linkerpoot. Toen zei hij:

“Ik word oud, en het zou me een groot plezier doen om tenminste één dikke baby te eten voor ik sterf. Stel dat we de mensen van Oz eens zouden verrassen en ze onze kracht tonen. Wat zeg je er van? Als we straks naar buiten lopen, zoals altijd, dan zal ik de eerste baby die we tegenkomen in een oogwenk op peuzelen, en de eerste man of vrouw die we tegenkomen scheur jij in stukken. Dan rennen we snel de stad uit en dan stuiven we over het land en verschuilen ons in het woud voor iemand ons kan stoppen.”

“Goed; ik doe mee,” zei de Leeuw, en gaapte om zijn twee rijen met vlijmscherpe tanden te laten zien. De Tijger stond op en rekte en strekte zijn grote glanzende lijf.

“Kom op,” zei hij.

De Leeuw stond op en bewees dat hij de grootste van de twee was, hij was tenslotte bijna net zo groot als een klein paard.
Ze liepen het paleis uit, en zagen niemand. Ze liepen door de prachtige tuinen, langs de fonteinen en de borders met liefelijke bloemen, maar ze kwamen niemand tegen. Ze ontgrendelden een poort en liepen de straten van de stad in, en er was nog steeds niemand te bekennen.

“Ik vraag me af hoe een dikke baby zal smaken,” merkte de Tijger op, terwijl ze majesteitelijk naast elkaar liepen.

“Ik verwacht dat het smaakt als nootmuskaat,” zei de Leeuw.

“Nee,” zei de Tijger, “ik denk dat het als tumtummies smaakt.”

Ze liepen een hoek om, maar ook die straat was verlaten, want de mensen van de Smaragd Stad waren er aan gewend om een tukkie te doen op dit uur van de middag.

“Ik vraag me af in hoeveel stukjes ik een persoon moet scheuren,” zei de Leeuw bedachtzaam.

“Zestig zou genoeg moeten zijn, denk ik,” suggereerde de Tijger.

“Zou dat pijnlijker zijn dan iemand in een dozijn stukjes scheuren?” wilde de Leeuw weten terwijl er een kleine rilling door hem heen ging.

“Wat maakt het uit of het pijn doet of niet?” gromde de Tijger.

De Leeuw reageerde daar niet op. Ze liepen een zijstraat in, maar ook daar was niemand.
Opeens hoorden ze een kind huilen.

“A-ha!” riep de Tijger. “Daar zul je mijn vlees hebben.”

Hij haastte zich de hoek om, en de Leeuw volgde hem, en daar zat een dikke baby midden op straat te huilen alsof hij in grote nood was.

* * *

De Kronieken van Oz:

Het Wonderlijke Land van Oz

– een fragment uit hoofdstuk 1 –

In het Land van de Kerelingen, wat in het Noorden van het Land van Oz ligt, woonde een jongen genaamd Tip. Er school meer in de naam dan je op het eerste zicht zou vermoedden, want de oude Mombi verklaarde vaak dat zijn volledige naam Tippetarius was; maar er werd van niemand verwacht dat ze zo’n lange naam zouden gebruiken als je ook kon volstaan met ‘Tip’.

De jongen wist zich niets te herinneren van zijn ouders, want hij was al heel jong gebracht naar de oude vrouw, genaamd Mombi, die hem grootgebracht. De reputatie van Mombi, en het spijt me het te moeten zeggen, was niet al te best. Het Kereling volk had reden genoeg om te denken dat Mombi zich bekwaamde in de kunst van de magie, en kwamen daarom liever niet in haar buurt.

Mombi was, om precies te zijn, geen Heks, want de Goede Heks die dit deel van het Land van Oz regeerde had verboden dat andere Heksen zich in haar domein ophielden. Dus realiseerde Tip’s voogd, hoe graag ze ook met magie werkte, dat het onwettig was om meer te zijn dan een Tovernares, of toch op zijn best een Toverkunstenares.

Tip moest hout uit het bos sjouwen, zodat de vrouw haar pot aan de kook kon brengen. Hij werkte ook in de graanvelden, schoffelde en pelde bollen; en hij voedde de varkens en melkte de koe, met de vier horens, die de trots van Mombi was.
Nu moet je niet denken dat hij alleen maar aan het werk was, hij dacht dat altijd maar werken slecht voor hem zou zijn. Als hij naar het bos moest klom Tip vaak in de bomen om de vogeleieren te bekijken of hij vermaakte zichzelf door achter de witte konijnen aan te rennen of door te gaan vissen in een van de beekjes met een gebogen spijker. Daarna haastte hij zich om zijn armen vol hout naar huis te brengen. En als hij werd verondersteld om in de maïsvelden te werken, en Mombi hem door de grote stengels niet meer kon zien, wroette Tip vaak in de gaten van de grondeekhoorns, of – als hij er zin in had – deed hij een dutje tussen de rijen maïs. Door zichzelf niet uit te putten groeide hij op tot een sterke en goed gebouwde jonge knul.

De vreemde magie van Mombi beangstigde haar buren, die haar dan ook schichtig behandelde, maar wel met respect, vanwege haar bizarre krachten. Maar Tip, om eerlijk te zijn, had een vreselijke hekel aan haar, en hij deed geen enkele moeite om dat te verbergen. Soms behandelde hij de oude vrouw met minder respect dan ze verdiende, ze was tenslotte wel zijn voogd.

* * *